Economie
Frankrijk is een echte wereldmogendheid en maakt daardoor ook deel uit van de G8 (de 8 grootste industrielanden van de wereld, daaronder: Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan,Verenigde Staten, Canada, Rusland, (China volgt waarschijnlijk snel)).
Frankrijk heeft t.o.v. andere Europese landen nog een traditionele economie waarin de landbouw nog een grote rol speelt. Ook de wijnbouw valt hieronder en juist deze sector heeft sinds de opkomst van de nieuwe wijnlanden (zoals Chili, Argentinië, Australië, Nieuw Zeeland, Verenigde staten, Bulgarije, Zuid-Afrika etc.) het zwaar te verduren. De bekendste Franse wijngebieden zijn de Bourgondië, Champagne, de valleien van de Rhône en van de Loire en het gebied van Bordeaux. De centra van de wijnhandel zijn Bordeaux, Reims, Dijon en Cognac.
Een groot deel van de waarde van totale Franse landbouwuitvoer komt voort uit vee (vooral rundvee, varkens, gevogelte en schapen). De berggebieden en Noordwest-Frankrijk zijn de belangrijkste veegebieden. De belangrijke gewassen van het land zijn tarwe, suikerbieten, graan, gerst en aardappels. In het noordwesten is het ideaal om vroeg in het jaar groenten te kweken, vanwege het zachte klimaat. De grond in het Centraal Massief is minder vruchtbaar. Fruitteelt is belangrijk in het zuiden.
Ook het Toerisme is een belangrijke economische sector voor Frankrijk. Dit is ook logisch indien men bedenkt dat Frankrijk alles te bieden heeft als vakantieland. Dit heeft ook tot gevolg dat veel Fransen in eigen land vakantie vieren waardoor het Franse geld dat wordt uitgegeven aan vakantie voornamelijk in eigen land blijft. De belangrijkste toeristische trekpleisters zijn: Het Middellandse zee gebied, de Franse Alpen en de metropool en hoofdstad Parijs. Daarnaast bieden ook de andere bekende toeristengebieden zoals Normandië en Bretagne in het Noorden en de Provence in het Zuiden plaats aan vele duizenden toeristen. Ook nog vermeldenswaardig zijn de Dordogne en de Loire streek.
Parijs is ook beroemd vanwege zijn luxegoederen. Het beste voorbeeld hiervan is het feit dat het luze concern LVMH in Parijs is gezeteld. LVMH is onder andere bekend vanwege merken zoals Louis Vuitton, Moet & Chandon champagne, parfummerken zoals Dior, Kenzo en Guerlain, horlogemerken zoals Tagheuer en Zenith etc..). Ook is Parijs bekend als modestad. Veel internationale modehuizen en ketens hebben hier winkels of kantoren.
Naast Parijs zijn de belangrijkste industriële steden Metz en Straatsburg in het noordoosten; in het noorden Roubaix en Lille; in het zuidoosten Lyon en Grenoble; in het zuiden Marseille, Toulouse, Nice en Nîmes; in het westen Bordeaux en Nantes.
Meer dan is de helft van de handel van Frankrijk vindt plaats met andere leden van de Europese Unie. Japan, de Verenigde Staten en China zijn ook belangrijke handelspartners. De belangrijkste uitvoerproducten zijn machines en vervoersapparatuur, chemische producten, levensmiddelen, landbouwproducten, ijzer- en staalproducten, textiel en kleding. Belangrijke invoerproducten zijn ruwe olie, machines en apparatuur, landbouwproducten, chemische producten en ijzer- en staalproducten. Kernenergie levert 75% van alle elektriciteit op uit Frankrijk. De belangrijkste havens zijn Rouen, Le Havre, Cherbourg, Brest, Saint Nazaire, Nantes, Bordeaux, Toulon, Dunkerque en Marseille.
Frankrijk heeft een uitgebreid spoorwegsysteem, waaronder een netwerk van hogesnelheidslijnen voor de TGV dat zich sinds 1981 vanuit Parijs in alle windrichtingen en ook naar het buitenland vertakt. Via de Kanaaltunnel is er ook een spoorverbinding met Groot-Brittannië.
De overheid had voorheen meerderheidseigendommen in vele handelsbanken, enkele industrieën en het telefoonsysteem. Er is recente beweging naar privatisering geweest, hoewel de energieproductie, openbaar vervoer en de defensie-industrieën nog door de overheid gecontroleerd worden.
Economisch beleid:
De laatste jaren is het economisch beleid van Frankrijk enigszins veranderd. In het begin van de jaren negentig lag de nadruk op convergentie met de Duitse economie om zodoende tegemoet te komen aan de criteria voor lidmaatschap van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Dit hield in: een zo vast mogelijke wisselkoers met de Mark en het zo laag mogelijk houden van inflatie en staatsuitgaven. Wat betreft de EMU was dit beleid succesvol, maar het resulteerde wel in een groeiende werkloosheid. De economische groei aan het einde van de jaren negentig zorgde voor een dalende werkloosheid en daaruit voortvloeiende extra belastinginkomsten. Hierdoor kon de regering Jospin (1997-2002) de belastingdruk verlagen.
De laatste jaren is de economische groei echter sterk afgenomen.
Het begrotingstekort van de Franse regering lag in 2004 net onder de 4 procent van het BBP. Volgens Europese maatstaven is dit een veel te hoog percentage, zeker nu in Europa de Euro is ingevoerd. Een land kan daar fikse boetets voor krijgen, omdat dat zorgt voor een zwakke koers van de Euro, maar de Fransen kregen hier echter geen boete voor van de EU.
De regering verwacht in 2005 weer onder de Europese limiet van 3 procent te komen. Hoewel het BBP stijgt, zal het aanpakken van de hoge werkloosheid in Frankrijk de overheidsuitgaven doen stijgen. Ook de door president Chirac beloofde belastingverlagingen zorgen ervoor dat Frankrijk waarschijnlijk de komende jaren een begrotingstekort van boven de 3 procent van het BBP zal houden.
Monetair beleid
Met de start van de laatste fase van de EMU (januari 1999) is het monetair beleid van Frankrijk, evenals van alle andere landen die de euro hebben ingevoerd, overgeheveld naar de Europese Centrale Bank (ECB). Grootste discussiepunt daarbij is sindsdien geweest dat de door de ECB gehanteerde rentetarieven voor het gehele eurogebied niet even gunstig hoeven te zijn voor de afzonderlijke landen. Voor Frankrijk is dit vooralsnog geen groot probleem geweest, alhoewel er van Franse zijde af en toe kritiek is geweest op het strikte rentebeleid van de ECB.
Markteconomie en deregulering
Vergeleken met andere landen in de Europese Unie is de belastingdruk in Frankrijk relatief hoog en speelt de Staat een relatief grote rol in de economie. Toch is het aangezicht van de Franse economie de afgelopen twee decennia sterk veranderd, met name als gevolg van twee privatiseringsgolven in 1986-1987 en vanaf 1993 tot nu.
Begin 2003 waren er minder dan een dozijn bedrijven uit de publieke sector volledig in het bezit van de Franse overheid. La Poste, de spoorwegen (SNCF), de Parijse metro en het daaraan gekoppelde regionale railsysteem (RATP en RER), GIAT Industries (producent van defensiematerieel) en SNECMA (producent van vliegtuigmotoren). Op een aantal andere bedrijven heeft de Franse Staat nog steeds een controlerende invloed (niet altijd via een meerderheidsbelang), zoals Air France, France Télécom, Renault en Thales (defensie-elektronica, hiervoor Thomson CSF).
De regering is niet altijd een groot voorstander geweest van liberalisering, getuige de aarzelingen om de elektriciteit- en de gassector volledig te privatiseren. Toch zorgt met name de liberaliseringspolitiek van de EU, waaraan Frankrijk uiteindelijk gevolg moet geven, voor de nodige druk. In 2005 zal de regering het staatsaandeel in Electricité de France (EDF) en Gaz de France (GDF) verminderen.
Buitenlandse investeringen
In 2005 werden 650 projecten gefinancierd door middel van buitenlandse investeringen. Dit betekent een stijging van 11,5 procent ten opzichte van 2004, toen 583 projecten door buitenlandse investeringen werden gefinancierd.
In 2005 werden 25.111 nieuwe banen gecreëerd en bleven 5.035 reeds bestaande banen behouden. In totaal werden dus 30.146 banen door buitenlandse investeringen gefinancierd, tegen 29.578 in 2004. De relatief lichte stijging ten opzichte van 2004 - 1,9 procent - kan worden verklaard door het feit dat er meer kleine projecten worden gefinancierd in Frankrijk. Deze tendens is in de rest van West-Europa ook waarneembaar.
In onderstaande tabel staan de sectoren waarin in 2005 de meeste banen werden gecreëerd. Het aantal banen in de transport, opslag en sector openbare gebouwen en werken daalde aanzienlijk ten opzichte van het aantal gecreëerde banen in 2004. Het aantal nieuwe banen in de software-industrie en dienstverlening in informatietechnologie nam sterk toe, net als in de financiële commerciële dienstverlening.
Hervormingen aan pensioensysteem
De regering heeft sinds haar aantreden behoedzaam geopereerd om hervormingen door te voeren in het pensioensysteem voor werknemers uit de publieke sector, die in juli 2003 door het parlement zijn goedgekeurd. In de aanloop naar de besluitvorming heeft veel overleg plaatsgevonden met maatschappelijke organisaties (met name de vakbonden).
De schaal van de hervormingen is relatief beperkt gebleven om de duur en intensiteit van de protesten zo veel mogelijk te beperken. In de eerste plaats is het bestaande 'solidariteitssysteem', waarbij de huidige werkende generaties betalen voor de pensioengerechtigden, overeind gebleven. Ook zijn de hervormingen niet van toepassing op werknemers van Nutsbedrijven (Electricité de France en Gaz de France) en de transportsector (SNCF en RATP, openbaar vervoer in de regio Parijs), die genieten van een 'régime spécial'.
Doel van de hervormingen is om het pensioensysteem voor overheidsambtenaren meer in lijn te brengen met dat van werknemers uit de private sector. Hiertoe wordt het aantal jaren dat werknemers bijdragen ('cotisations') moeten betalen om in aanmerking te komen voor een volledig pensioen, de komende jaren stapsgewijs verlengd.
Ook dienen de hervormingen om de actieve bevolking langer aan het werk te houden. Hoewel de pensioengerechtigde leeftijd onveranderd zestig jaar blijft, is het aantrekkelijker geworden om daarna nog te blijven werken.
Het succes van deze hervormingen op de middellange termijn hangt met name af van de omvang van de beroepsbevolking en de werkloosheid. Vooral de door de regering gebruikte aannames voor de werkloosheid lijken te optimistisch, waardoor verdergaande hervormingen op termijn noodzakelijk kunnen worden.
Terugdringen van de hoge werkloosheid
Sinds de jaren zeventig heeft Frankrijk te maken met grote aantallen werklozen. De regering Jospin (1997-2002) creërde veel laagbetaalde banen in de publieke sector, om zo de werkloosheid terug te dringen. Ook introduceerde zij de 35-urige werkweek. Hoewel de werkloosheidscijfers in die jaren daalden, was dit eerder te danken aan een gunstige economie dan aan de genomen maatregelen. De 35-urige werkweek leidde tot veel protest van werkgevers en in de publieke sector (met name ziekenhuizen) ontstond een tekort aan gekwalificeerd personeel.
In 2005 heeft de regering de wetgeving omtrent overwerk versoepeld, waardoor werknemers gemakkelijker meer uren kunnen werken zonder daarvoor toestemming te hoeven vragen bij de Inspection du Travail. De nieuwe regering heeft daarnaast een ' Emplois Jeunes '-programma opgesteld, dat het aannemen van jonge werknemers in de private sector stimuleert. (Bron EVD)
|