Landschap en Geologie
In het noorden, westen en centrum is Frankrijk relatief vlak tot licht heuvelachtig. Meer naar het zuiden wordt het landschap steiler en in het zuidwesten (Pyreneeën) en de Alpen in het (zuid) oosten wordt het landschap beheerst door deze bergketens en de uitlopers hiervan. De Franse gebergten beslaan bijna een kwart van de totale oppervlakte van Frankrijk en het laagland en het heuvelland, beneden de 500 meter grens, beslaan veruit het grootste deel van Frankrijk.
Tot de Franse gebergten behoren het Armoricaans Massief in Bretagne, dat tot 400 meter hoog is, de heuvelachtige uitlopers van de Belgische Ardennen, de Vogezen in het noordoosten, die tot 1400 meter reiken, het Centraal Massief (hoogvlakte tussen de Loire en de Middellandse Zee met een hoogte tot 1800 meter), de Pyreneeën en in het oosten, de Alpen en de Jura. De twee grootste bergketens, de Alpen en de Pyreneeën verschillen in diverse opzichten sterk van elkaar. Zo is een duidelijk verschil tussen de bossen en weiden van de vochtige en frisse Atlantische Pyreneeën en de wijn- en boomgaarden van de zonovergoten flank aan de kant van de Middellandse Zee, een van de droogste gebieden.
De noordelijke Alpen (Alpes du Nord) omvatten onder andere het stroomgebied van de rivier de Isère met zijn zijrivieren. Het klimaat is hier wat kouder en vochtiger met veel sneeuw. Er komen talrijke gletsjers voor die in de zomer veel smeltwater leveren. Door het grote verval zijn de riviertjes erg geschikt voor de aanleg van stuwdammen en de opwekking van elektriciteit.
De zuidelijke Alpen (Alpes du Sud) omvatten het stroomgebied van de Durance en de Verdon. Het reliëf is hier wat minder indrukwekkend. Het klimaat is er warmer, droger en zonniger.
In het noorden van Frankrijk ligt een grote laagvlakte, waarvan Parijs ongeveer in het midden ligt. Dit gebied wordt het zogenaamde Bekken van Parijs genoemd en omvat onder andere mooie dichte bosgebieden zoals Fontainbleau en Compiegne. Deze laagvlakte is ongeveer vijf keer zo groot als Nederland en heeft een golvend landschap met in het oosten beboste heuvelruggen. Dit zijn de zogenaamde steilranden of cuesta's, harde restanten van een weggesleten gesteentelaag. In het westen bereiken de kalksteenlagen van het bekken van Parijs de kust bij Het Kanaal en vormen daar een steile krijt- of falaisekust. De begrenzing van het Bekken van Parijs wordt gevormd door het Armoricaans Massief, het Centraal Massief, de Vogezen en de Ardennen. Dit zijn populaire gebieden waar toeristen veelvuldig komen. Er bevinden zich in deze regio dan ook veel campings en vakantiehuizen.
In het zuidwesten van Frankrijk bevindt zich een ander bekken dat schuil gaat onder de naam het Aquitaans bekken. Ook dit is een uitgestrekte laagvlakte, waarin onder andere de wijnstreek Bordeaux ligt.
Ten zuiden van Bordeaux ligt een duinenkust met uitgebreide stranden en strandmeren. Het gebied achter de duinen, Les Landes, was vanwege de slechte afwatering altijd moerassig, maar sinds de 19e eeuw zijn hier veel bossen aangeplant.
Het Centraal Massief is een enorme hoogvlakte tussen de Loire en de Middellandse Zee en bedekt een zesde deel van Frankrijk met een oppervlakte van 91.000 km2 en is dit gebied is daarmee ruim twee keer zo groot als Nederland. De hoogste toppen liggen in de Auvergne in het noorden. De Causses en Cevennen verder zuidwaarts zijn minder hoog, maar ruiger met kolkende riviertjes en rotskloven.
Tussen het Centraal Massief en de Alpen loopt het Rhônedal, dat naar het zuiden uitwaaiert in een uit rivierklei opgebouwde delta. Hier bevindt zich het laagste deel van Frankrijk met een hoogte van – 2 meter.
|