Musee d’Orsay
Aan het einde van de 19de eeuw kocht de spoorwegmaatschappij die de lijn naar Orléans exploiteerde het terrein waar nog de ruïnes stonden van het voormalige Palais d'Orsay, dat tijdens de opstand van de Commune van 1871 in vlammen was opgegaan. De maatschappij gaf Victor Laloux (1850-1937), winnaar van de Prix de Rome in 1878 en hoogleraar architectuur aan de Ecole des Beaux-Arts, opdracht een station te ontwerpen dat qua stijl zou passen bij de fraaie gebouwen in deze chique buurt met het Louvre en het Palais des Tuileries aan de overkant van de Seine. Hij ontwierp een constructie van ijzer en glas achter een op het Louvre geïnspireerde monumentale façade. Aan de binnenkant wordt deze constructie aan het oog onttrokken door cassetteplafonds met stucwerk. Ook het aangrenzende hotel werd door hem ontworpen. De bouwwerkzaamheden namen twee jaar in beslag, en op 14 juli 1900 kon het station in gebruik worden genomen.
Het Gare d'Orsay werd het begin- en eindpunt van alle verbindingen met het Zuidwesten van het land en was het eerste station dat aan de elektrische tractie was aangepast. Gedurende bijna veertig jaar reden dagelijks 200 treinen af en aan. Naarmate de elektrificatie van het spoorwegnet echter vorderde, werden de treinen langer en bleken de perrons steeds vaker te krap bemeten. In 1939 werd besloten het station nog slechts voor regionaal treinverkeer te gebruiken en korte tijd later moest het gesloten worden. Daarna heeft het een aantal uiteenlopende bestemmingen gehad. Zo deed het na de bevrijding dienst als opvangcentrum voor voormalige krijgsgevangenen en in 1962 als decor bij Orson Welles' verfilming van Kafka's “Het proces”. In 1973 is het station nog als theater gebruikt door het gezelschap van Jean-Louis Barrault en Madeleine Renaud en in 1974 was het tijdens de renovatie van het Hotel Drouot korte tijd een veilingzaal. Het hotel werd op 1 januari 1973 gesloten. Kort na de sluiting van het station gingen er stemmen op om het gebouw, dat van de sloop was gered, te bestemmen als museum voor 19de-eeuwse kunst. Het definitieve besluit werd in 1977 genomen door president Giscard d'Estaing. De prijsvraag voor de verbouwing werd gewonnen door de architecten Col Boc, Pardon en Filippino. U Valentie, aan wie de nieuwe interieurs van het Musée National d'Art Moderne in Parijs en het Palazzo Trassi in Venetië te danken zijn, kreeg de opdracht ook het interieur van het Musée d'Orsay te ontwerpen. Zes jaar later, op 1 december 1986, werd het nieuwe museum door president Mitterrand geopend.
Het museum bevat een uitgebreide collectie beeldende kunst, decoratieve kunst en kunstnijverheidsproducten uit de periode 1848-1914, waaronder schilderijen, beeldhouwwerken, architectonische ontwerpen, meubels, keramiek, sieraden, foto's, films, grafiek, muziek, literatuur, enz. De objecten zijn chronologisch geordend en over drie verdiepingen verdeeld. De collectie van het Musée d'Orsay sluit historisch gezien enerzijds aan bij die van het Louvre, maar anderzijds ook bij die van het Musée National d'Art Moderne in het Centre Georges Pompidou.
Op het voorplein staan zes grote beelden, die de zes continenten verzinnebeelden, waarbij Amerika in twee continenten is verdeeld. Links zijn een paard en een neushoorn te zien, en even verderop een jonge olifant in een val van de hand van Eremiet.
De benedenverdieping is geheel gewijd aan de periode 1840-1870. In aansluiting hierop zijn op de bovenverdieping werken te zien die behoren tot het impressionisme, het post impressionisme en de scholen van Pontveer en de Nabis. De rondgang eindigt op de tussenverdieping, waar werken te zien zijn uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.
Voordat het eigenlijke museumbezoek begint, is rechts van de loketten “De geest van het vaderland” te zien, een fragment van het haut-reliëf van de Arc de Triomphe van de hand van Rude (1784-1855), dat opvalt door de kracht die ervan uitgaat. De grote middenzaal is gewijd aan beeldhouwwerken. In de zalen aan de rechterkant zijn werken te zien die behoren tot het classicisme, de romantiek en het academisme, terwijl de werken in de zalen aan de linkerkant behoren tot het realisme, de school van Barbizon en het vroege impressionisme.
Voor meer informatie klik hier
|